Weerbaar

Dit verhaal was een inzending voor de zeer originele schrijfwedstrijd “Wat voorafging…”.

Opdracht: Er werd een situatie geschetst met een aantal personages in een metrowagon. Het was aan de deelnemers van de wedstrijd om te beschrijven hoe een personage of groepje personages in die wagon waren beland. Lengte tussen de tweeduizend en vierduizend woorden. Op basis van de winnende inzendingen werd door de organisator het boek verder afgeschreven; dus wat na de samenkomst in de metrowagon gebeurde.


WEERBAAR

Het was nog niet donker toen ik wegging, dat weet ik zeker. Hoe kan het dan dat ik nu in het licht van de straatlantaarns loop? Ik kijk op mijn horloge en schrik; het is al 22.00 uur geweest! Hoe is dat mogelijk? Met versnelde pas vervolg ik mijn weg door de lege straat.
Ik proef een vreemde smaak in mijn mond; iets metaligs. Is dat van het wijntje dat ik stiekem bij Melissa dronk? Kan dat ene glas zo slecht zijn gevallen dat ik een stuk van de terugweg ben vergeten?
Terwijl ik dichter bij huis kom, voel ik de spanning in mijn lichaam toenemen. Als Erik nog niet slaapt zal hij laaiend zijn. Ik twijfel een moment om Melissa te bellen of ik niet bij haar kan slapen, maar de ruzie morgen zal dan des te erger zijn.
Met mijn sleutels al in de hand steek ik de straat over en bij de voordeur aangekomen probeer ik die zo stil mogelijk te openen. Binnen trek ik in het donker mijn jas en schoenen uit. Op het moment dat ik naar boven wil glippen, hoor ik de deur naar de woonkamer geopend worden. Verschrikt kijk ik om naar de grote man die in de opening staat.
‘Waar kom jij zo laat vandaan?’ snauwt Erik.
‘Ik was naar een vriendin, dat had ik toch gezegd?’
‘Ja en ik had gezegd dat je voor het donker terug moest zijn,’ bijt Erik me toe terwijl hij op me af komt.
Ik wil naar boven lopen, maar Erik is snel en pakt mijn bovenarm stevig vast. Hij knijpt zo hard in mijn arm dat het ongetwijfeld een nieuwe blauwe plek op gaat leveren. Er hangt een alcoholwalm om hem heen.
‘Als ik zeg dat je voor het do–’
‘Blijf van me af, eikel!’ schreeuw ik en probeer mezelf te bevrijden.
‘Als jij je niet heel snel gaat gedragen…’ dreigt Erik.
‘Je doet me pijn, laat me los!’
Als ik nog een ruk aan mijn arm geef hoor ik de stiksels van de mouw van mijn hoodie scheuren. Gelukkig weet ik me aan Eriks greep te ontworstelen en snel ren ik naar boven.
‘Dom wicht,’ hoor ik hem van beneden vloeken.
Met tranen in mijn ogen smijt ik de deur van mijn slaapkamer dicht en laat ik me op bed vallen. Ik krul me op en probeer niet te huilen. Deze klootzak van een stiefvader gaat mij niet klein krijgen.

Als ik even later weer een beetje ben gekalmeerd, hoor ik dat de deur zachtjes wordt geopend. Voor even ben ik bang dat het Erik is, maar die zou nooit zo stilletjes doen en als ik me omdraai zie ik in het donker tot mijn opluchting de silhouet van mijn broertje Jesse.
‘Femke?’ vraagt hij zachtjes. ‘Gaat het? Ik hoorde…’
‘Ja, het gaat wel. Laat me maar even.’
‘Weet je het zeker?’
‘Ja. Lief dat je het vraagt.’
Jesse staat nog even twijfelend in de deuropening, maar pakt dan de klink van de deur om die weer te sluiten. ‘Oké, welterusten dan.’
‘Slaap lekker.’

Het is aardedonker in het park. De lantaarns staan niet aan en ik kan geen maan of sterren ontwaren. Met een onbehaaglijk gevoel kijk ik om me heen en ik loop met versnelde pas over het schelpenpad dat mij uit het park moet leiden. Het is alsof er iets is dat me vanuit de schaduwen gadeslaat.
Gelukkig zie ik niet veel later de uitgang tussen de donkere struiken en bomen verschijnen. Ik durf niet meer achterom te kijken, bang dat als ik dat wel doe er iets achter me zal opdoemen dat me te grazen neemt.
Het volgende moment ga ik hard onderuit. Iets heeft me bij mijn enkels gegrepen en sleurt me de struiken in. Ik probeer te schreeuwen, maar er komt geen geluid uit mijn keel en in paniek verdwijn ik op mijn buik tussen bladeren. Waarom ben ik deze avond in mijn eentje door het park gaan lopen?
Lange nagels boren zich in mijn schouders en ik word met een ruwe beweging op mijn rug gelegd. Ik probeer me los te worstelen en spartel met mijn benen, maar de sterke armen houden me met gemak in bedwang. Mijn lange haar ligt over mijn gezicht, waardoor ik mijn belager niet goed kan zien. Ik verwacht dat mijn broek nu ieder moment van mijn heupen kan worden getrokken en begin te huilen.
‘Lig verdomme stil,’ gromt mijn aanvaller.
Hij gaat op me zitten en drukt zijn onderarm op mijn keel, waardoor ik nog amper adem kan halen. Met zijn andere hand veegt hij het haar van mijn gezicht. Gek genoeg lijk ik nu meer te kunnen zien dan toen ik nog op het schelpenpad liep.
De man ziet er verwilderd uit, beestachtig bijna. Hij heeft een baard en lang haar. Zijn ogen zijn groot en donker. Hij gromt en snuift en dan opeens bijt hij in zijn eigen hand. Zijn oogleden knijpen samen door de pijn en ik zie hoe bloed begint te vloeien.
De man sluit zijn lippen om de wond en drukt ondertussen nog harder op mijn keel. Mijn angst voor een aanranding slaat om naar de angst dat ik dit park niet levend verlaat. Dan legt hij zijn hand op mijn voorhoofd.
‘Doe je mond open,’ spreekt hij zonder zijn kaken van elkaar te bewegen.
Dat is voor mij het teken om mijn lippen stijf op elkaar te drukken, maar het heeft weinig nut. Mijn belager knijpt mijn neus dicht en houdt die zo stevig vast dat het niet lang duurt voor ik naar adem hap. Dat is het moment waarop de man een mengsel van speeksel en bloed in mijn mond spuugt. Daarna drukt hij snel zijn hand op mijn mond. Hysterisch probeer ik me los te worstelen, maar hij drukt mijn hoofd zo hard tegen de aarde dat ik niet kan ontsnappen en uiteindelijk geen andere keus heb dan het mengsel door te slikken.
Verslagen staak ik mijn pogingen om mezelf te bevrijden en de man laat mijn gezicht los.
‘Het spijt me,’ fluistert hij. ‘Het spijt me, maar ik kon deze vloek niet meer dragen.’
Verward luister ik naar zijn woorden. Welke vloek?
‘Je hebt mijn bloed gedronken en nu ben ik vrij.’ Hij lacht zijn bloedrode tanden bloot. ‘Nu ben ik vrij…’
De man laat me los en komt langzaam overeind. Verstijfd zie ik hoe hij zich een weg door de struiken baant en uit het zicht verdwijnt.
Nog even lig ik daar op mijn rug tussen de dorre bladeren en dan kom ik langzaam overeind. Wat is er zojuist in godsnaam gebeurd? Ik kijk naar mijn kleding; die lijkt nog heel. Ik probeer me wat te fatsoeneren door blaadjes en zand van me af te kloppen. Het slaat nergens op, maar ik wil niet dat mensen die ik op straat tegenkom zien dat er iets gebeurd is.

Ik trek mijn dekbed over mijn koude schouder, terwijl er muziek uit mijn telefoon klinkt. Dat is mijn wekker, maar het duurt even voor ik me realiseer dat ik wakker ben geworden in mijn eigen bed.
Mijn hart klopt nog in mijn keel van de nachtmerrie die ik heb gehad. Een aanranding in het park. Nee, dat was niet gewoon een aanranding. Hoe kan ik zoiets bizars hebben gedroomd?
Met een zucht rol ik op mijn rug en open mijn ogen. De gordijnen heb ik gisteravond niet gesloten en de ochtendzon schijnt recht op mijn gezicht. Ik knijp mijn ogen weer dicht en kruip uit bed, naar een plek waar het licht minder fel is.
Ik pak mijn uniform uit mijn kledingkast en loop naar de badkamer. Het is gelukkig nog stil in huis. De deuren van de slaapkamers van mijn moeder en Erik en mijn broertje zijn gesloten.
Na een snelle douche sta ik in mijn ondergoed voor de spiegel mijn haar te kammen en naar mijn blauwe plekken te kijken; een grote lelijke nieuwe plek op mijn bovenarm en een paar oude geelgroene vlekken her en der. Ik vervloek Erik en fantaseer over manieren waarop ik hem ooit terug zal pakken, tot mijn aandacht wordt getrokken door kleine donkere plekken op mijn schouders. Het ziet er vreemd uit, bijna als de drukpunten van vingers… De handen van de belager in het park? Nee, dat was een droom, maar hoe kom ik er dan aan?
Ik heb geen tijd om er bij stil te staan. Nadat ik mijn haar heb opgestoken en wat mascara heb aangebracht, trek ik mijn uniform aan en ga ik naar beneden voor een snel ontbijt. Ik heb totaal geen zin om naar werk te gaan, maar de bijverdiensten als cassière zijn welkom om zo snel mogelijk dit huis uit te kunnen.

Op werk heb ik moeite om me te concentreren. Gelukkig heb ik geen moeilijke taak en een nepglimlach kan ik met gemak opzetten. Zo kruipt de ochtend langzaam voorbij, tot het tijd is voor de pauze.
Met twee ham-kaas croissantjes en een blikje energy drink zit ik in het keukentje dat als kantine dienstdoet. Ik heb trek, maar voel me ook een beetje misselijk. Na een paar happen van een croissant begint mijn maag te protesteren. Het voelt alsof ik moet overgeven en ik ren naar het toilet.
Nog net op tijd hang ik over de wc-bril en met veel kracht komen stukken croissant en restanten van mijn ontbijt naar buiten. Als de oprispingen zijn gestopt, kijk ik hijgend naar de smurrie in de toiletpot. Tot mijn schrik zie ik dat het rood kleurt en trek snel het toilet door.
Ik spoel mijn mond een paar keer en werk mijn uitgelopen mascara bij, maar mijn bleke gezicht verraadt dat ik niet helemaal goed in orde ben. Gelukkig vind ik nog kauwgom in mijn tas en ik stop twee stuks in mijn mond. Even ben ik bang dat de sterke mintsmaak genoeg is voor een nieuw bezoek aan het toilet, maar dat gevoel trekt weg en ik ga weer aan het werk.

‘s Middags lijken de uren nog langzamer te verstrijken, maar aan het begin van de avond mag ik eindelijk naar huis. De frisse lucht buiten doet me goed. Ik adem diep in en stap op mijn fiets.
Thuis zitten mijn moeder en Erik televisie te kijken. Op tafel staan een fles wijn en een paar lege blikken bier. Mijn moeder vraagt hoe het op werk was en ik zeg dat alles prima ging en dat ik huiswerk ga maken op mijn kamer. Erik negeert me compleet.
Boven hoor ik dat Jesse weer met zijn vrienden aan het gamen is. Hij lacht en scheldt en aan het kabaal uit zijn speakerset te horen spelen ze weer een oorlogsspel.
Nadat ik mijn uniform heb verwisseld voor mijn eigen kleding ga ik op bed liggen. Flarden van de nachtmerrie over de aanval in het park blijven door mijn hoofd spoken. Wat als het niet slechts een nare droom was, maar er echt iets gebeurd is?
Ik wil mezelf niet voor schut zetten, maar ik moet er met iemand over praten en bel Melissa.
Vrolijk neemt ze de telefoon op. ‘Hé, Fem! Hoe gaat het?’
‘Hé, Melis… Ik weet het niet zo goed… Ik denk dat er wat ergs gebeurd is.’
‘Oh? Wat dan?’ klinkt het nu bezorgd.
Ik zucht. ‘Het is zo wazig allemaal… Hoe laat ging ik bij jou weg gisteren?’
‘Ik weet niet precies hoe laat. Het begon net te schemeren, dus toen ging je snel naar huis.’
‘Oké, ik dacht dat ik gek werd.’
‘Hoezo dan? Wat is er gebeurd?’
‘Ik… Ik kan me een stuk van de terugweg niet herinneren, maar ik was pas na 22.00 uur thuis.’
‘Huh? Hoe kan dat nou?’
‘Het was alsof ik wakker werd toen ik bijna thuis was en verder weet ik niks meer. Maar…’
‘Maar?’ vraagt Melissa als ik even stil blijf.
‘Ik heb vannacht een nachtmerrie gehad. Ik werd in het park door iemand aangevallen en die trok me…’ Ik merk dat ik emotioneel word en slik tranen weg. ‘Die trok me de struiken in. Ik ben bang dat…’
‘Oh nee… Lieve Fem…’
‘Ik weet gewoon niet wat er gebeurd is. Hoe kan dat nou? Wat als die droom…’
‘Zal ik naar je toe komen?’ vraagt Melissa.
‘Nee, lief van je, maar dat hoeft niet. Ik voel me niet zo lekker en wil zo gaan slapen.’
‘Oké… Als het moet kom ik meteen hè?’
‘Dank je wel.’
‘Maar over gisteravond, als je het niet erg vindt…’
‘Nee, daarom bel ik juist. Ik moet er gewoon met iemand over praten.’
‘Hoe kwam je thuis? Had je ergens pijn of…?’
‘Volgens mij niet.’
‘Oké, want als iemand… Je zou denken dat je dan niet ongeschonden thuis komt, toch?’
‘Ja, je hebt gelijk.’ Ik voel me een beetje opgelucht. ‘Ik heb wel blauwe plekken, maar Erik…’
‘Heeft die hufter weer aan je gezeten?’ roept Melissa boos. ‘Heb je die stun gun nog die ik aan je heb gegeven? Zet die een keer op zijn ballen, dan blijft-ie wel uit je buurt.’
Ik grinnik. ‘Ja, die heb ik nog, maar ja… Ik wil gewoon zo snel mogelijk dit huis uit. De hoop dat mijn moeder hem verlaat, heb ik al lang laten varen.’
‘Luister, als we gaan studeren gaan we gewoon samen ergens op kamers en dan ben je van die lul af.’
‘Ja, dat zou geweldig zijn, maar ik kan Jesse niet alleen achterlaten… Als ik wegga heeft Erik een doelwit minder.’
‘Nou, dan adopteer ik Jesse toch gewoon!’ Melissa lacht. ‘Ik ben toch al bijna achttien.’
‘Dat zou geweldig zijn! Ben jij dan mijn stieftante?’
Ik hoor Melissa schaterlachen. ‘De coolste tante ooit!’
We lachen samen en grappen nog wat door over ons rare, gelukkige gezinnetje.
‘Hé, Fem, ik moet eigenlijk gaan nu,’ hoor ik Melissa zeggen.
‘Oké, is goed. Dank je wel, lieve Melis. Ik weet niet wat ik zonder jou zou moeten.’
‘Ik ben er voor je, lieverd. Je mag altijd bellen of langskomen.’
‘Weet ik, dank je wel.’
‘Spreek je snel!’

Nadat Melissa heeft opgehangen, ben ik nog een tijdje door social media apps aan het scrollen, tot ik mijn ogen amper open kan houden. Ik merk dat de misselijkheid is gezakt en ik voel me opgelucht. Wat er gisteren precies gebeurd is, weet ik nog steeds niet, maar Melissa heeft gelijk; als er echt iets ergs was gebeurd, dan was ik er niet heelhuids vanaf gekomen.
Ik laat mijn moeder weten dat ik geen trek heb in avondeten en hoewel dat niet op goedkeuring kan rekenen, word ik verder met rust gelaten. Ik poets mijn tanden, trek een nachthemd aan en kruip in bed, waar ik al snel in slaap val.

De volgende ochtend word ik bezweet en met een zeurende hoofdpijn wakker. Ik gooi het dekbed van me af en ril door de luchtvlaag die langs mijn lichaam trekt.
Ik heb weer vreemd gedroomd, maar niet zoals de vorige nacht. Alles liep nu door elkaar; slaande ruzies thuis, achtervolgingen in het park, zelfs onenigheid met Melissa… Ik voel me naar over wat ik heb gedroomd, maar op mijn telefoon zie ik gelukkig een lief berichtje van Melissa om me op te beuren.
Met moeite kom ik uit bed en ook na een warme douche voel ik me nog steeds niet lekker. Ik heb spierpijn en de hoofdpijn lijkt alleen maar erger te worden. Voor de zekerheid neem ik mijn temperatuur op en zie ik dat ik koorts heb. Misschien heb ik wel een griepje opgelopen.
Ik bel mijn mentor om me ziek te melden. Officieel moet één van je ouders dat doen, maar hij weet het een en ander van mijn thuissituatie en ook dat ik er geen misbruik van maak. Bezorgd vraagt hij nog of er niet iets anders speelt, maar ik verzeker hem dat ik gewoon niet goed in orde ben.

Ik lig het grootste deel van de dag in bed, waarbij ik wakker schrik uit de ene nachtmerrie na de andere. Het is moeilijk mijn koortsdromen te interpreteren, maar ze zijn allesbehalve prettig.
De hoofdpijn en spierpijn worden erger. Ik kan het beetje licht dat door de gordijnen valt amper verdragen. Misschien heb ik wel griep en migraine tegelijk? Als dit morgen nog zo is, moet ik naar de huisarts.
Mijn moeder komt aan het eind van de middag, voor ze naar haar werk gaat, nog even controleren hoe het met me gaat. Erik kijkt niet naar me om; die heeft beneden waarschijnlijk meteen een blik bier opengetrokken toen hij het rijk voor zichzelf alleen had.

Halverwege de avond begin ik me beter te voelen. De hoofdpijn en spierpijn zijn afgezwakt. Eindelijk voel ik weer wat kracht in mijn lichaam. Met een droge mond sta ik op uit bed en loop ik naar de badkamer om wat te drinken.
Uit de slaapkamer van Jesse klinkt weer een hoop kabaal. Mitrailleurvuur en explosies worden alleen overstemd door de kreten van mijn broertje. Gelukkig grenst mijn slaapkamer niet aan de zijne.
Als ik de badkamer inloop, hoor ik gestamp op de trap en draai ik snel de deur op slot. Het is Erik die naar boven komt; daar heb ik nu geen zin in.
Zodra ik in de spiegel kijk, schrik ik van wat ik zie. Ik ben lijkbleek en de wallen onder mijn ogen zijn bijna zwart. Ik buig voorover om mezelf beter te bekijken. Mijn oogwit heeft een rode waas, met een rode cirkel rond mijn irissen, alsof mijn ogen ontstoken zijn.
Ik begin te zweten en voel dat mijn hartslag omhoog gaat, terwijl ik de wastafel stevig vasthoud. Wat is er met me aan de hand?
Terwijl ik naar mezelf staar, hoor ik opeens geschreeuw. Het zijn Jesse en Erik en het lijkt er nog harder aan toe te gaan dan gebruikelijk. Nadat ik een harde bonk hoor, snel ik instinctief naar de slaapkamer van mijn broertje.
‘What the fuck heb je gedaan?’ hoor ik Jesse met overslaande stem schreeuwen. ‘Teringlijer!’
Als ik in de deuropening sta, zie ik aan Eriks voeten de PlayStation van Jesse liggen, met een flinke deuk erin. Uit de speakerset bij de televisie komt alleen nog een harde ruis.
‘Nu ben je de mijne!’ tiert Erik en loopt op Jesse af.
Mijn broertje loopt achteruit tot hij tegen zijn bureau staat en kijkt om zich heen. Snel pakt hij een schaar en houdt die voor zich uit om zich te verdedigen.
‘Dacht je dat ik nu bang voor je ben?’ spot Erik en grist de schaar uit Jesses handen.
Het volgende moment haalt Erik uit en slaat Jesse vol in zijn gezicht. Mijn broertje grijpt naar zijn neus en zakt kermend onderuit.
Ik heb alles vanuit de deuropening gadegeslagen. Ik sta als aan de grond genageld, maar ik voel iets in mijn lichaam opborrelen. Alles wordt wazig; het enige wat ik nog helder heb is dat een grote man mijn broertje aftakelt.
Met een katachtige beweging spring ik op het bed van mijn broertje en daarna op de rug van mijn stiefvader. Hij gaat bijna onderuit, maar weet zijn evenwicht nog net te bewaren.
‘Jij klein–’ briest hij, maar kan zijn zin niet afmaken.
Ik open mijn mond wijd en zet mijn tanden in zijn nek. Met volle kracht scheur ik door huid, spieren en de onderliggende slagader.
Terwijl ik weer van hem afspring, zakt Erik op zijn knieën. Hij grijpt naar zijn nek, maar daar valt niets meer aan te redden. Bloed stroomt tussen zijn vingers door en compleet verbijsterd staart hij mij aan.
Ik veeg met de rug van mijn hand bloed van mijn mond en kin en kijk hijgend op hem neer. Het lijkt alsof ik me bewust ben van zijn steeds langzamer wordende hartslag en dat maakt me kalm. De razernij die in me oplaaide gaat liggen. Dan zakt Erik opzij en blijft hij stil liggen.
Ik draai me om naar Jesse, die zover mogelijk in de hoek tegen zijn bed is gekropen. Met één hand op zijn neus kijkt hij met grote ogen naar het lijk van Erik en daarna naar mij. Als ik een stap naar voren doe krimpt hij in elkaar.
Ik schrik van zijn reactie en plotseling dringt tot me door wat ik zojuist heb gedaan. Ik deins achteruit en struikel bijna over Erik. Mijn nachthemd zit onder het bloed en ik zie de rode druppels over het televisiescherm naar beneden druipen.
In paniek snel ik de kamer uit en de badkamer in. Haastig begin ik het bloed van mijn lichaam te wassen. Mijn nachthemd gooi ik in de was, waarna ik naar mijn slaapkamer ren om iets anders aan te trekken. Wat heb ik gedaan? Paniek overmant me en ik zak huilend op de grond.

Enige tijd later komt Jesse voorzichtig mijn kamer binnen. Ik kijk naar hem op. Er steken rode watjes uit zijn neusgaten en zijn bovenlip is dik geworden.
‘Jesse, ik… Ik weet niet wat er gebeurde…’
‘Je hebt me gered, Fem.’ Er verschijnt een treurige glimlach om Jesses lippen. ‘Ik dacht dat ik eraan ging. Ik weet ook niet wat er met je gebeurde, maar je hebt me gered.’
Mijn broertje steekt zijn hand naar me uit en helpt me overeind.
‘Wat moeten we nu?’ mompel ik.
‘We gaan naar papa,’ zegt Jesse resoluut.
‘Moeten we de politie niet be–’
‘Nee, Fem, we gaan morgen naar papa. Hij zal ons helpen. Het was zelfverdediging.’
‘Maar wat als mama thuiskomt?’
‘Dan zeg je dat Erik is vertrokken en dat ik al lig te slapen, dan zal ze niet op mijn kamer kijken.’
Het klinkt als een slecht plan, maar alles is zo wazig in mijn hoofd dat ik er niets tegenin kan brengen.
Mijn broertje glimlacht even bemoedigend naar me en draait zich dan om.
‘Jesse, wacht.’
Ik loop naar het hoofdeinde van mijn bed en til het matras op. Daar ligt de stun gun die ik van Melissa heb gekregen. Ik pak het stroomstootwapen en geef het aan Jesse.
‘Als ik… Als het weer gebeurt, dan gebruik je dit, oké? Ik weet niet of ik mezelf kan beheersen…’
Aarzelend pakt hij het wapen aan. ‘Oké.’
‘Beloofd?’
‘Beloofd.’
Op dat moment horen we de luide berichttoon van Eriks telefoon. We schrikken beide op en besluiten te gaan kijken. Het is surrealistisch om Eriks lichaam levenloos op de grond te zien liggen.
Voorzichtig haal ik zijn telefoon uit zijn broekzak. De telefoon is vergrendeld, maar ik kan het eerste deel van het bericht het lezen. Het is van mijn moeder. Ze laat weten dat ze een extra dienst moet draaien en tussendoor niet naar huis komt. Ik slaak een zucht van verlichting.

De volgende ochtend sta ik een tijd lang voor de spiegel om mezelf – met veel meer make-up dan normaal – toonbaar te maken. We hebben amper geslapen en ik zie er nog steeds net zo beroerd uit als gisteren, maar fysiek voel ik me steeds beter. Ondanks dat mijn ogen nog steeds gevoelig zijn voor licht, kan ik het nu beter verdragen. Ik weet niet wat er met me gebeurt, maar ik voel me sterker dan ooit.
We hebben Erik onder het bed van mijn broertje geduwd en geprobeerd om zoveel mogelijk bloed weg te poetsen. Ik heb medelijden met mijn moeder, omdat zij wel iets in deze man zag, maar ik ben blij dat Jesse en ik van hem af zijn.

Als we onze spullen bij elkaar hebben gepakt, zet ik mijn noise cancelling hoofdtelefoon op. Normaal gesproken zou ik daar niet mee op straat gezien willen worden, maar misschien helpt muziek om me af te sluiten voor mijn omgeving – zoals dat thuis soms ook hielp – en mezelf onderweg te beheersen. Snel haalt Jesse de grote hoofdtelefoon op die hij wel eens voor gamen gebruikt.
‘Uit solidariteit,’ zegt hij als ik hem aankijk.
We lopen naar buiten en ik draai de voordeur op slot. Jesse lacht als ik de sleutel in een struik in de voortuin gooi en samen gaan we op weg naar metrostation Noord.


Reactie van de jury:
Het verhaal stuitte op verdeeldheid en discussie binnen de jury, wat op zich logisch was. Het verhaal an sich is goed geschreven. Het concept van de vloek is interessant. Het idee van de vloek is ons inziens een te groot concept voor een kort verhaal en ook voor de uitwerking van deze schrijfwedstrijd. De vloek blijft daardoor als een los eindje over dat ook niet in het einde kan worden verwerkt. Binnen dit verhaal had de vloek weinig functie. Als het meisje uit een wanhopige opwelling een scherp voorwerp had gepakt en die in de nek van de stiefvader had gestoken, was het beter te volgen geweest en had het gepast in een kort verhaal.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *